Nieuw jaarboek in de maak

Voorpagina » Nieuws » Regio's » Valkenburg Centrum » Nieuw jaarboek in de maak

De Stichting Historische en Heemkundige Studies in en rond het Geuldal is druk doende met de realisatie van een nieuw jaarboek. Het streven is om in het boek zeven artikelen op te nemen op het gebied van geschiedenis, archeologie en volkscultuur.
Het eerste artikel draagt als titel Problemen in de zielzorg rond de proosdij van Meerssen in de 12e eeuw en wordt geschreven door de benedictijn Augustinus van Berkum. Dankzij het rijke bronnenmateriaal over Meerssen in de Middeleeuwen is het mogelijk ons een idee te vormen over de aspecten van het leven en streven van zowel de plaats zelf en dan vooral van de proosdij, als ook van de wijde omgeving, die later ‘het land van Valkenburg’ is genoemd. De bijdrage gaat vooral over de menselijke en pastorale zijde van de uitgestrekte parochie Meerssen en de daaronder ressorterende kapellen. Na een karakterisering van de kerkelijke en maatschappelijke situatie in het algemeen spitst het onderzoek zich toe op de Maasgouw, vooral gedurende de tijd van koningin Gerberga en de twaalfde eeuw, om tenslotte uit te komen op een conflict in het kerspel Meerssen en een historische en
diplomatieke behandeling van de oorkonde die de vrede moest herstellen. Meerssen kan als karakteristiek voorbeeld gelden voor de talrijke parochies die vele abdijen in de loop van de 12e eeuw wisten te verwerven. Met een kritische beschouwing over de ontwikkeling besluit dit artikel.
Archeologische vondsten uit de gracht van kasteel Genhoes te Oud-Valkenburg staan centraal in een artikel van D. Krikke, M.Th. van Dijk–Franx en
L. Emmen. In 1998 is de gracht rond kasteel Genhoes uitgebaggerd. Een deel van het slib is door de Archeologische Werkgroep Valkenburg onderzocht
op de aanwezigheid van archeologisch materiaal. Er zijn meer dan vijfduizend vondsten geregistreerd, waaronder ongeveer drieduizend scherven uit keramisch materiaal. Na een inleiding over de geschiedenis en de bewoners van kasteel Genhoes worden de belangrijkste archeologische vondsten beschreven. De aandacht gaat vooral uit naar het volksaardewerk uit de achttiende eeuw en naar metalen voorwerpen, zoals een messing tondeldoos met een jachttafereel, gereedschap, hang- en sluitwerk, bestek en servetringen die in de gracht terechtgekomen zijn. Ook worden zestiende-eeuwse schoenen beschreven die in het baggerslib gevonden zijn.
De vakwerkboerderij van Johannis Haghelstein in Klein-Kuttingen is een interessant ‘ grensgeval’, dat door door Frank Hovens wordt beschreven.
Op enkele meters van de landsgrens ligt in het gehucht Klein-Kuttingen een inmiddels tot vakantiewoning verbouwde vakwerkboerderij. Een inscriptie in de bovendorpel van de ingangsdeur leert dat de boerderij waarschijnlijk in 1767 door een zekere Johannis Haghelstein gebouwd is. De tegenwoordige landsgrens kan worden beschouwd als een voortzetting van de grens tussen het hertogdom Limburg en de heerlijkheid Wittem. Deze grens heeft eeuwen bestaan, maar dat wil niet zeggen dat altijd duidelijk is geweest hoe ze precies gelopen heeft. In deze bijdrage worden twee zaken belicht: naast de geschiedenis van de boerderij komt de geschiedenis van de plek aan bod. Daarbij zal blijken dat de locatie niet alleen wat de territoriale status betreft een ‘ grensgeval’ is, maar dat dit ook geldt voor haar geologie, geomorfologie en bodemgebruik.
Pastoor Fr. Crutzen levert twee bijdragen. Allereerst gaat hij in op de predikanten in ’s-Hertogenrade en Gulpen. Tussen 1632 en 1820 zijn elf predikanten
werkzaam geweest in ’s-Hertogenrade en Gulpen en de daarmee gecombineerde gereformeerde gemeenten. Het waren Petrus Leupenius (1633-1635), Johannes Breberenus van Dijck (1649-1674), Johannes Mauritius Mommers (1680-1681), Petrus Neckius (1682-1683), Samuel Nethenus (1683-1691),
Abraham Nethenus (1692-1709), Stephanus Poitevin (1711-1725), Florens Petrus Brull (1726-1744), Lambertus van Flodorp (1746-1769), Isaac Gerlach Fellinger (1769-1781) en Hendrikus Johannes Essers (1782-1820). Hun herkomst, opleiding, beroeping en verdere levensloop vormen het onderwerp van deze bijdrage. Hiermee wordt een sterk onderbelicht aspect behandeld van de geschiedenis van de protestantse geloofsgemeenschappen in `s-Hertogenrade en Gulpen, hoofdzakelijk in de jaren dat deze plaatsen deel uitmaakten van de Republiek der Verenigde Nederlanden.
Het andere artikel is een vervolg op een eerder verschenen bijdrage over de redemptoristinnen in Partij-Wittem. Nu er steeds meer kloosters verdwijnen,
stijgt de belangstelling voor het wel en wee van die gemeenschappen. Het probleem is echter dat dikwijls hun archieven niet of nauwelijks bewaard zijn gebleven. Dit is echter wel het geval bij het klooster in Partij-Wittem waar vanaf 1852 redemptoristinnen wonen. Zij leiden tot op de dag van vandaag een beschouwend leven. Het klooster beschikt over dagboeken, kronieken en andere bescheiden, die een ongekend goed inzicht geven in het reilen en zeilen van een slotklooster in de sterk veranderende negentiende en twintigste eeuw. In deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van alle 52 vrouwen die er zijn ingetreden vanaf de kloosterbrand in 1877 tot aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Daarnaast zijn de levensbeschrijvingen van de zusters opgenomen zoals die na hun overlijden in de kloosterkroniek zijn opgenomen. Authentiek fotomateriaal verlevendigt de teksten.
Een bijzonder artikel handelt over het boerenleven op de Berghemerhof anno 1944. Het is het verhaal van een ooggetuige. In het voorjaar van 1944 beschreef de achttienjarige Achterhoekse studente Jo Nijenhuis het dagelijks leven op de Berghemerhof van de familie Kaelen in Gulpen. Zij liep daar
stage in het kader van haar opleiding tot huishoudlerares landbouwkunde aan ‘Nieuw Rollecate’ in Deventer. De bedrijfsvoering van het gemengde landbouwbedrijf met ook nog elfhonderd fruitbomen, het gebouw en zijn indeling, de inrichting en de verwarming, het dagelijks werk, de huishouding, het dagelijks menu en verschillende recepten worden beschreven. Door de zakelijke beschrijvingen heen vernemen we verschillende belevenissen
met de bewoners, inclusief met het personeel van de boerderij. De bijzondere omstandigheden van de Tweede Wereldoorlog en van de bevrijding klinken nadrukkelijk in het verhaal door.
De opkomst van het Geuldal als toeristenstreek wordt ons verteld door Rudolf Philips. Ongeveer honderd jaar geleden begonnen Hollandse toeristen het Geuldal te ontdekken.Valkenburg had toen al een bekende naam, maar nu gingen zij ook andere plaatsen verkennen. Ondanks de nog primitieve accommodaties viel de streek erg in de smaak bij de vakantiegangers. Uit hun spontane reacties bleken vooral het geheel andere landschap en
de eigen streekcultuur indruk te maken. Wat thans het meeste opvalt is de kleinschalige beslotenheid van deze plaatsen en de goedmoedige
gastvrijheid van de eerste hoteliers. En niet minder welke grote ruimtelijke veranderingen dit toerisme teweegbracht. De opgenomen illustraties, uit de tijd zelf, zullen zeker een nostalgisch effect achterlaten.
Het boek zal begin december verschijnen en ongeveer 300 bladzijden groot zijn. Een folder met meer informatie is op aanvraag verkrijgbaar bij de voorzitter van de stichting, Henk Roelofs te Valkenburg, tel. 043-6016390, of via de website http://www.historiegeuldal.nl

← Vorig bericht

Solisten Harmonie Walram Succesvol in Hulsberg

De 10 uur van Valkenburg

Volgend bericht →